Drie waarnemingen en de vervreemding
juni 14, 2018
Show all

Een kleine geschiedenis van grote afstand

 

Het gesprek over de landbouw en ons voedsel en over de plek die dieren daarin wel of niet zouden moeten innemen, staat niet op zichzelf. Het is een bijzonder gelaagd gesprek met overwegingen op heel veel verschillende niveaus. Dit maakt het gesprek complex en niet zelden verwarrend.

>> Zo is zijn er de GEZONDHEIDSOVERWEGINGEN: ‘Waar gedijt ons lichaam het beste op: volledig plantaardig of juist een omnivoor dieet?’ Er lijkt een groeiende consensus dat gezondheid, vitaliteit en levensverwachting toenemen met een grotere consumptie van plantaardig voedsel. Maar sluit dat dierlijk voedsel helemaal uit?

>> Er zijn HISTORISCHE OVEWEGINGEN: ‘Waar komen we vandaan, hoe hebben we in de geschiedenis gegeten en wat zegt dat over ons huidige eetpatroon?’ Vaak wordt dan gekeken naar de ‘jager/verzamelaar’ van het Paleolithicum (steentijd) en de vraag is hoe relevant is die verwijzing? Anderen menen de vroege landbouwrevolutie (Neolithicum) als ijkpunt te moeten nemen of juist onze evolutionaire verwantschap met de primaten… maar wat zegt dat allemaal over de mens in de 21e eeuw?

>> Er zijn MORELE OVERWEGINGEN van allerlei aard: ‘Is het verantwoord om dieren te exploiteren en te doden voor ons voedsel, als dat niet nodig is?’ De vraag stellen is haar beantwoorden, lijkt me – maar daarover is niet iedereen het eens. Maar ook: ‘Hoe verantwoord is een eetpatroon dat de planeet niet kan dragen en dat onvermijdelijk leidt tot grote schaarste en armoede in bepaalde gebieden op aarde?’

>> En hoewel dat ook morele overwegingen zijn, is het zinvol om de overwegingen rond DUURZAAMHEID en ECOLOGIE ook te benoemen. De wereldwijde landbouw die voornamelijk is ingericht op de productie van dieren én de wereldwijde visserij zijn industrieën die aantoonbare schade aan de bodem, de oceanen en het klimaat berokkenen. Wat ook je visie is op een gezond eetpatroon, de manier waarop we dat voedsel verbouwen zal op hele korte termijn duurzamer moeten, willen we de planeet niet blijvend vernietigen.

Allemaal belangrijke en zinvolle overwegingen. Maar het raakt volgens mij nog niet de essentie. Ik denk dat het zinvol is om dieper te graven en te kijken naar onze RELATIE TOT DE NATUUR of onze relatie met de aarde. In elk van bovenstaande overwegingen ligt dat er namelijk áltijd onder: ons lichaam is natuur, de dieren zijn natuur, de akkers zijn natuur, ons voedsel is natuur, de planeet als geheel is natuur… het is állemaal natuur. Dus is de vraag wat mij betreft: hoe verhouden wij ons tot de natuur? En nog liever vraag ik: hoe verhouden we ons tot de aarde?

Voordat je die vraag op persoonlijke titel wilt beantwoorden, wil ik je vragen even mijn gedachtegang te blijven volgen. Ik geef je een beknopte historische schets, die ons kan duidelijk maken hoe groot onze collectieve afstand is van de aarde.

Laten we beginnen met de JAGER-VERZAMELAAR uit de prehistorie (hoewel dat natuurlijk geen absoluut begin is). Ik leef in Drenthe tussen de resten van deze oermensen: de hunebedden. Hoewel we hun leven moeten reconstrueren uit de zeer beperkte resten die ze hebben nagelaten, lijkt het duidelijk dat deze hele vroege mens ONDERDEEL was van de natuur. Hij verzamelde vruchten, noten, wortelgewassen, knollen en bollen en waarschijnlijk ook insecten en hij jaagde op dieren die hij vervolgens bereidde. Er was geen sprake van ingrijpen in de natuur… hij was ‘natuur in de natuur’ en had daarom ook geen vaste woonplaats.

Dan breekt er een nieuwe tijd aan als deze oermens zich meer en meer gaat vestigen en zelf gewassen gaat verbouwen en dieren gaat domesticeren. We noemen dit de ‘neolithische revolutie’ en dat markeert het begin van de landbouw. Je zou kunnen zeggen dat het een eerste stap is om AFSTAND van de natuur te nemen. Begrijp me goed, dit is geen beoordeling (in termen van goed of fout), het is een beschrijving van wat er gebeurt. De aanleg van een tuin is de afzondering van een stuk grond van de omringende natuur met een muur of een haag. Het Nederlandse woord ‘tuin’ is etymologisch verwant aan het Engelse ‘town’ (stad) en het Duitse ‘Zaun’ (hek) en markeert dus de afzondering van de natuur. Dat had natuurlijk een hele praktische reden: het voorkomen van vraat door wilde dieren – een uitdaging die ook de moderne moestuinier nog steeds kent.

Een volgende stap in de groeiende AFSTAND komt als er kleine samenlevingen ontstaan waarin de taken voor het levensonderhoud verdeeld worden. Een boer kan makkelijk gewassen verbouwen voor een kleine gemeenschap (zeker met inzet van de gedomesticeerde dieren), zodat anderen daarvan worden vrijgesteld en andere taken voor de gemeenschap kunnen ontwikkelen: de bakker, de timmerman, de smit, de klompenmaker, de touwslager, de pottenbakker, de mandenvlechter, etc. Zo ontstaan de ambachten. De samenleving die zo ontstaat staat nog steeds dicht bij de natuur, maar niet elk individu heeft daarin dezelfde relatie met de natuur. De boer staat het dichtst bij.

Langzaam werden de gemeenschappen groter. Dorpen worden groter en hier en daar ontstaan de eerste steden. De relatie met het omringende land blijft nog steeds groot, want de stad is afhankelijk van de voedselvoorziening van de boeren. De stedeling kent deze relatie en weet waar zijn voedsel vandaan komt en eert dat – hij weet zich ervan afhankelijk. Maar de AFSTAND wordt wel groter.

Dan zet ik historisch een hele grote sprong (ik zou willen dat ik meer ruimte had om het proces meer in detail te bespreken). In de 18e veranderde de relatie tot de natuur ingrijpend. God werd buiten spel gezet in de filosofie van de Verlichting en de natuur werd (om de woorden van Descartes te gebruiken) ‘uitgebreidheid’. Niet meer bezield, niet meer verbonden met het goddelijke, maar gewoon ‘materie’. Het markeert het begin van de moderne wetenschap waarin de natuur geanalyseerd en bestudeerd werd als een ‘ding’ en dát maakte de weg vrij voor de ‘Industriële Revolutie’.

De Industriële Revolutie veranderde onze relatie tot de natuur ingrijpend. Tussen de mens en de natuur kwamen steeds meer lagen: het meetinstrument, de microscoop, het laboratorium, maar vooral… de machine. Het begon met de stoommachine en alles wat dat mogelijk maakte. Nu werden de taken van de gemeenschap niet meer vérdeeld onder mensen, maar de taken zélf werden ópgedeeld in kleine deeltaken die door de machine gedaan konden worden (een proces dat Adam Smith voor het eerst beschreef en ‘arbeidsdeling’ noemde): de geboorte van de fabriek. Deze arbeidsdeling leidde vervolgens tot schaalvergroting (één mens kon met inzet van de machine steeds meer produceren) en dat is een proces dat tot op de dag van vandaag doorgaat.

De arbeidsdeling en schaalvergroting hebben de afstand tot de natuur ongelofelijk versneld en vergroot. Steeds minder mensen zijn er nodig om ons voedsel te produceren (het verdwijnen van het boerenbedrijf). De boer zelf heeft ook een groeiende afstand tot de natuur: hij werkt in stallen en airco-gekoelde tractoren waarin hij hoog boven de gewassen zijn enorme machines meesleept. De akkers zelf zijn nauwelijks nog natuur: monoculturen, kunstmatige bemesting en chemische gewasbescherming bannen elke vorm van natuur uit (ik schreef over de moderne landbouw een post op 31 mei).

Er is voor steeds meer mensen géén noodzaak om zich nog zélf te verbinden met de natuur. Het wordt facultatief en dus overgelaten aan de persoonlijke voorkeuren. Natuur wordt alleen nog ‘recreatief’ geconsumeerd, meestal met behoorlijke vervuiling tot gevolg. Comfort wordt gedefinieerd als ‘onafhankelijk van de natuurlijke wisselingen’: ongeacht de seizoenen kunnen áltijd elke soort voedsel kopen. Ongeacht de temperatuur kunnen we altijd reizen in comfortabele auto’s en vliegtuigen. Natuurlijke afstanden verdwijnen door de moderne vervoersmiddelen. Onze huizen, onze auto’s, onze kantoren, onze winkels zijn allemaal ‘dozen’ die volledig zijn losgemaakt van de omringende natuur.

Van één vorm van natuur kunnen we ons nooit losmaken: ons lichaam. We zíjn natuur! We zijn weliswaar veel méér dan dieren, maar nooit minder dan dieren. We hebben voedsel nodig, we poepen, plassen, hebben seks, baren kinderen – allemaal heel dierlijk en natuurlijk. Maar tegelijk heeft de afstand en de vervreemding hier ook zijn intrede gedaan. Voedsel is steeds meer een in plastic verpakt product uit een fabriek waarvan we de oorsprong niet kennen, onze uitwerpselen zijn zelfs voor onszelf nagenoeg onzichtbaar (en onruikbaar) geworden door het ‘watercloset’ (wc) en zelfs het krijgen van kinderen hebben we zozeer gemedicaliseerd dat bijna geen vrouw meer durft te vertrouwen op haar eigen vermogen een kind te baren (over elk van deze zaken wil ik binnenkort meer zeggen).

We lopen met onze mobiele telefoon door de velden en de bossen. Overal bereikbaar, overal beschikking over alle informatie, overal afgeleid door piepjes en pingeltjes die onze aandacht weghalen van waar we zijn. We denken van de natuur te houden, maar wat wij voor natuur houden zijn restjes bos of veld waar we nog wat biodiversiteit tolereren, zolang het de machine van onze samenleving maar niet stoort. En de industriële landbouw en visserij hebben we in hoge mate onzichtbaar gemaakt, zodat we de illusie van een natuur- en diervriendelijke samenleving in stand kunnen houden. Maar het is er niet meer.

Het is afstand, afstand, afstand… we zijn als samenleving, als collectief diepgaand VERVREEMD geraakt van de natuur. En dat heeft gevolgen voor alle bovengenoemde gesprekken: over ons voedsel, over de dieren, over de moraal, over de wereldvoedselverdeling, over de duurzaamheid… en dus ook over het veganisme - ál deze gesprekken voeren we vanuit deze diepe vervreemding van de natuur.

Een proces met zo’n oude geschiedenis is niet zomaar te keren. Maar ik wil wel graag met je nadenken hoe we persoonlijk en als collectief die verbinding weer kunnen gaan herstellen. Daarover later meer.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *